Delen

Welstand – Goed idee

Een tijdje geleden, onderweg naar huis na een ontspannen vakantie in de Zwitserse Alpen, viel me wat op, ergens ter hoogte van Bern. Wat me opviel was iets ogenschijnlijk triviaals: namelijk de breedte, dikte en leesbaarheid van tijdelijke oranje lijnen die de Zwitsers op de weg hadden geschilderd om je op de weg rond Bern door 20 km wegwerkzaamheden te loodsen. Als een dik, glinsterend oranje plakband, zo 15-20cm breed, waren deze tijdelijke lijnen zo ontzettend veel beter leesbaar dan zelfs de permanente lijnen, laat staan de ielige, half afwezige, weggesleten, onzichtbare tijdelijke lijntjes die we in Nederland toepassen bij wegwerkzaamheden. Dat zette me aan het denken… Nou zijn Zwitsers meestal op het enge af gedegen en doelmatig. En ze geven aan alles waarschijnlijk 2x zoveel uit als wij sobere Nederlanders. Maar zoals een beroemde reiziger eens stelde (was het Hemmingway?): reizen leert je wel wat over de ander maar vooral wat over jezelf. Dus: wat leert dit ons over Nederland? Waarom is het ‘vanzelfsprekend’ dat de Zwitsers vette tijdelijke strepen op de weg zetten en we hier in Nederland met ielige lijntjes hetzelfde proberen te bereiken? De vraag en functionele eisen lijken helder, en in beide landen zou je verwachten dat ze ook hetzelfde zijn. Maar waar de strepen in Zwitserland een soort twijfelloos ‘zo moet het’ uitstralen spreken uit de Nederlandse streepjes meer een ‘net goed genoeg’ mentaliteit (de beroemde 6-jes cultuur?). In Nederland hebben we met de soberste handeling net genoeg gedaan om ons doel te bereiken. Dat noemen we, of namens ons Rijkswaterstaat, sober en doelmatig en wil een verstandige balans zijn tussen kosten en het beoogde doel. Daarbij willen we zo op het scherpst van de snede gaan zitten dat het soms kan gebeuren dat het net niet lukt. Jammer, een incident, maar we zijn wel héél verstandig geweest en hebben geen belastingcenten verspeeld. Brave jongen! Voor die houding hebben we in Nederland een onvertaalbaar woord: goedkoop. Goedkoop is iets niet als we veel waarde voor de financiële prijs krijgen, wat in het Engels zo mooi ‘value for money’ heet. In Nederland bestaat die helderheid niet. Hier betekend goedkoop dat we een ongrijpbaar, ‘gepolderd’ compromis tussen kwaliteit en prijs hebben bereikt. En daarbij willen we best de kwaliteit wat terugschroeven als we daarvoor relatief meer kostenbesparing weten te bereiken. Dan zijn we pas echt goedkoop uit! Het gevaar daarvan is alleen dat we onderweg in die onderhandelingen kwijt raken wat we eigenlijk willen (bijvoorbeeld zichtbare strepen op de weg bij wegwerkzaamheden): kwaliteit en prijs vloeien zo door elkaar heen dat een vast ijkpunt verdwijnt. Het enige referentiepunt is dat we ergens een ‘minimumgrens’ aanhouden. Maar een minimum is natuurlijk niet hetzelfde als wat willen, toch?! In de bouw in het algemeen en de architectuur in het bijzonder is deze houding natuurlijk ook voelbaar. Ook daar spelen geld en kwaliteit van wat we willen een onnavolgbaar kat en muis spel. En dan heb ik het niet over de kwaliteit die een gebouw netjes waterdicht maakt, of aan het bouwbesluit laat voldoen (spreekt voor zich!) maar vooral de ‘conceptuele’ kwaliteit van een gebouw. Die is niet in geld uit te drukken maar bepaald toch in grote mate de ‘waarde’ van een gebouw; financieel maar zeker ook cultureel en maatschappelijk. En net als bij tijdelijke strepen bij wegwerkzaamheden hebben we in Nederland ook daarin geen ‘ijkpunt’, ook daar polderen we er lustig op los. Wie legt voor die kwaliteit de bodem? In Zwitserland is die bodem een degelijke (vaak saaie) eenvoud als het om gebouwen gaat. Ze doen het gewoon, maar, eerlijk is eerlijk, meer vaak ook niet. Gebouwd met een scherpe, heldere regelgeving, met een hoogwaardige ‘standaard’ kwaliteit zijn ze zonder opsmuk ‘gewoon’ goed. Hetzelfde voor de openbare ruimte: schoon, goed onderhouden, degelijk. Iedereen die in Zwitserland is geweest weet dat we in Nederland er niet op kunnen vertrouwen dat ‘gewoon’ hier ook zo goed kan zijn. Het lijkt erop alsof we in Nederland die collectieve ‘intuïtie’ voor dergelijke kwaliteit missen. Maar dat weerhoudt ons er niet van die wel te zoeken, al moeten we veel meer ons best doen om die alsnog te bereiken. Nergens wordt er in de wereld zoveel ‘ontworpen’ aan die kwaliteit als in Nederland, en de hele wereld is er jaloers op. Zo gezien zou je kunnen zeggen dat de Zwitsers een remmende voorsprong hebben. Om dat ontwerpen te organiseren hebben we een enorme massa aan instituties, werkgroepen, beleidsteams, studiecentra etc. in het leven geroepen die gezamenlijk een collectief kwaliteitsbesef moeten genereren, ook in de openbare ruimte en gebouwde omgeving. Welstandscommissies, supervisoren, inspraakronden, beeldkwaliteitsplannen, SPvE’s, architectenselecties: allemaal middelen om ‘met elkaar’ die kwaliteit de dragen. Wie er uiteindelijk ‘echt’ over gaat weet niemand, en wat die kwaliteit dan is en hoe die effectief wordt gerealiseerd blijft heel vaak vaag. Zeker de laatste decennia draaiden vastgoedprofessionals van gemeenten, ontwikkelaars, coöperaties, makelaars en aannemers om elkaar heen in een mistig spel rond residuële grondwaarden, subsidieregelingen, vereffeningsfondsen, v.o.n. prijzen, woonsegmenten en doelgroepen. Waar het financiële deel van dat spel tenminste nog in een universele ‘eenheid’, namelijk de €, was uit te drukken was de vraag welke kwaliteit we daarvoor kregen en wie daar dan verantwoordelijkheid voor wilde nemen nog mistiger dan misschien daarvoor het geval was. In de modderige zoektocht naar ‘goedkope’ stedelijke ruimte (en was is toch in ‘ieders’ belang?) was kwaliteit gemakkelijk kind van de rekening. Niet zo raar dat, uitzonderingen daargelaten, welstandscommissies, architecten van (deel)plannen en vaak ook supervisoren, onafhankelijk als ze waren van het financiële kant van de ‘onderhandelingen’, zich haast genoodzaakt zagen om ‘tegenwicht’ te bieden en weerbarstig, dwars en eigenzinnig een koers gericht op kwaliteit aan te houden. En daarmee dan maar voor lief nemen dat ze zo de verdenking op zich laadden dat ze onderdeel zijn van een ‘architectuurmaffia’ die ontwikkelingen gijzelt voor haar eigen hobby’s. Daar hebben ‘we’ als beroepsgroep nu last van. En daar komt nog bij dat ‘we’ lamg niet altijd in staat waren die kwaliteit waar we voor zouden staan ook wisten te realiseren. Persoonlijke voorkeuren van architecten, welstandsleden en supervisoren werden soms tot arbitraire maatstaf verheven of in een streven die kwaliteit ‘objectief’ vast te leggen werd gereduceerd tot een lijstje met criteria die kleingeestig en verstikkend was. En de tools waarmee de afgelopen decennia dat kwaliteitsbeeld werd bewaakt in de vorm van strak georganiseerde eindbeelden weerspiegelden misschien meer een statisch idee van ruimtelijke kwaliteit uit negentiende eeuwse stedelijke Gesammtkunstwerken dan kwaliteit als een flexibele eenheid die over ruimte, tijd en partijen heen grijpt. Desondanks is het gedeeltelijk falen van dat ‘systeem’ geen excuus om het nu dan maar in (vrijblijvend) revolutionair enthousiasme allemaal aan de kant te schuiven. En dus maar welstand af te schaffen, zoals Donner nu heeft besloten. Dat het anders moet, prima, maar laten we het kind niet met het badwater weggooien. We kunnen ons dat in Nederland simpelweg niet permitteren. Pas als ik snaarstrakke, vette strepen op de weg zie, juist bij wegwerkzaamheden, wil ik daar over na gaan denken.